De moeder en de rozen

De elementen van de afscheidsdag van m’n moeder, donderdag, druppelen langzaam op hun plek. De ontroering van de rozen was wakker, door de afsluiting van de dag. Omdat m’n moeder gecremeerd zou worden, moesten we verzinnen waar de bloemen heen moesten. Het graf van m’n vader leek een logische keuze. Die lag daar aldoor maar en m’n moeder zelf zou daar niet bij komen liggen. Dus dan maar al het bloeiende dat wij hadden samengesteld.

Alleen Petra, m’n jongste zusje, en Boris en Gwan en Athiná gingen deze taak volbrengen. Toen we het grote bloemstuk van de kinderen uit de auto haalden, viel er één rode roos uit. Athiná pakte die op. Ik dacht dat dat een mooi gebaar voor haar kon zijn, om dan die ene roos neer te leggen, maar ze rook er aan en liet mij er toen aan ruiken en door hoe het ons deed voelen keek ze me aan en zei:”You should have it!”  Daar was ik het meteen mee eens. De rest van de bloemen brachten we naar m’n vader. Onderweg rook ik er nog eens aan. En thuis zette ik hem in een vaasje.

Gisteren al een beetje, maar vandaag nog meer, ontroert me de laatste scène voor het sluiten van de kist.

Ik had dus een katoenen doek gemaakt, waarop ik m’n TIJD-gedicht had geschreven. Die heeft al die tijd over m’n moeders voeteneinde gelegen, over de onderste halve matglazen plaat.

De vraag was steeds wat ik er dan nog mee wilde. Ik dacht: laat hem maar over de kist liggen in de kerk en naar het crematorium. Dan weet ik dáár wel wat ik er mee wil.

Toen er bewegingen waren om de kist te gaan sluiten, wilde ik het uit praktische overwegingen alvast weghalen. “Nee, nee”, zei de begrafenisonderneemster steeds (want ik was hardnekkig). Ze werkte er wel omheen. Haalde de halve glasplaat er zorgvuldig onderuit zodat hij gewoon kon blijven liggen.

Uiteindelijk werden we uitgenodigd om allemaal nog iets te doen wat we belangrijk vonden. De oudste zoon van m’n jongste broer en m’n oudste zus legden ieder nog een mooie lange rode roos bij m’n moeder. Ik stond bij m’n zusje daar naar te kijken en die vroeg me: “Wil je je kleed niet in de kist?” Ik wilde al bijna “nee” zeggen, toen ik voelde dat het ja was. Natuurlijk!

En zo kon ik haar nog toedekken. In plaats van de doek weghalen, trok ik hem verder omhoog. Niet té hoog, want ik wil altijd dat de hals vrij is. Maar wel lief hoog. En toestoppen in de zijkanten. Daarbij voelde ik ook de rozen. Die haalde ik er onder vandaan en legde ze boven de dekens. En daarna streelde ik nog even door haar haar, zoals ik Boris steeds bij Lucas had zien doen, toen hij in de kist lag.

Vanmorgen schreef ik aan m’n zusje: als ik wel eens uit probeerde te leggen aan mensen, welke liefde voor m’n moeder ik weer terug zocht, dan vertel ik dat ik vroeger van die aanvallen van liefde had. Dat ik dan voor m’n vader en moeder 2 rode rozen kocht en die in een vaasje op hun slaapkamer zette. Stiekem. En als m’n moeder die dan vond, dan kwam ze helemaal ontroerd naar me toe. “Malle meid” of iets dergelijks waren de woorden bij de onhandige omhelzing. Was er een omhelzing? Dat zou ik ook gewoon kunnen betwijfelen. Maar er waren definitely rozen…

liefs,   Joke